Geplaatst op 11 september 2015 in Achtergrond & opinie

Door: Bram Verhave, Buro Stek

Toen mij door Herbestemming Noord werd gevraagd een blog-artikel te schrijven waarin ik mijn gedachten mocht laten gaan over de kwaliteit van leven in het Noorden van het land, in combinatie met leegstand van al dan niet cultureel erfgoed, schoten meteen verschillende thema’s door mijn hoofd.  Bevolkingskrimp natuurlijk en de ingrijpende gevolgen daarvan, zoals dorpskernen die hun traditionele voorzieningen zien vertrekken, maar ook de prachtige landschappen die in het Noorden de afgelopen eeuwen zijn ontstaan en hoe daar de komende jaren de nieuwe ontwikkelingen in de landbouw, de aanzwellende energietransitie en de ingewikkelde wateropgave zullen landen. Wat deze onderwerpen gemeen hebben is dat het gaat om forse transformaties die gevolgen hebben voor de levendigheid en leefbaarheid van het landelijk gebied en de kwaliteiten die we nu erkennen kunnen onder druk komen te staan door de verschillende reacties die politiek en bevolking ten aanzien van al die veranderingen laten zien. Maar ook zullen er nieuwe mogelijkheden ontstaan die we kunnen inzetten ten gunste van de leefbaarheid.  

Nieuw vuur

Erfgoed is belangrijk, intrinsiek belangrijk zelfs, omdat het een rol speelt in de omgang met en het bewustzijn van geschiedenis, maar als aanjager voor verdere ontwikkelingen in het landelijk gebied is de rol van erfgoed een te smalle basis om in de toekomst mee te volstaan. De leegstand kent namelijk een veel gevarieerder palet; winkelpanden in nieuw gebouwde centrumgebieden, bedrijfslocaties op recent aangelegde bedrijfsterreinen, scholen, huizen, kantoren, boerderijen. Voor het versterken van de leefbaarheid in het Noorden is het goed om intensieve inzet te tonen bij alle vormen van leegstand, niet alleen bij erfgoed.

Onomstotelijk is het zo dat het erfgoed dat leegstaat vaak karakteristieke gebouwen bevat, die ook nog eens op centrale plekken staan en die voor de leefbaarheid, als ze tenminste weer in gebruik worden genomen, enorm van betekenis zijn. Daar zit ook een vreemde kink: karakteristieke panden die leegstaan, zijn een doorn in het oog van een gemeenschap, maar als deze weer gebruikt worden, dan wordt dat door iedereen als vanzelfsprekend ervaren, als rectificatie van een onwenselijke situatie. Het is daarmee dus niet automatisch zo dat er met herbestemming van erfgoed een spin off bereikt wordt die gunstig uitpakt voor naastgelegen lege panden. Leegstand zorgt voor het afsterven van een dorp, maar herbestemmen van die leegstand betekent niet perse revitalisering. Herbestemmen van erfgoed brengt de balans op nul.

Om wel een echt vliegwieleffect te bereiken moet er een bredere basis gevonden worden. Het ideale model is dat er na een eerste investering in een karakteristiek leegstaand pand meerdere individuen en clubs de schouders zetten onder het weer leefbaar maken van een dorp. Dat genereert energie, zoals ook een enkel blok hout in een open haard geen vlam vat, maar bij twee of meer blokken een chemie ontstaat die de vlammen hoog doet oplaaien.

Leeg programma

Leegstand in krimpregio’s is lastig. De leegstand hier bestaat niet zozeer uit kwalitatieve leegstand: bestaand vastgoed dat niet matcht met aanwezig programma waardoor er dus (tijdelijke) leegstand ontstaat, maar krimpgebieden worden gekenmerkt door gebrek aan programma. Scholen sluiten de deuren omdat er steeds minder kinderen zijn, waarmee een belangrijke ontmoetingsplek in de dorpen wegvalt. Er zijn geen grote retailconcepten die lege panden weer kunnen invullen. Hier moet meer verwacht worden van de plaatselijke investeerders en initiatieven; ondernemers die werken vanuit persoonlijke binding met de omgeving, mensen die initiatieven ontplooien in de leefomgeving waar ze bewust voor hebben gekozen. En dat klinkt makkelijker dan het is. Naast de lege gebouwen die de sfeer in een plaats negatief beïnvloeden, trekt leegstand ook aan de leefbaarheid van een dorp als geheel. Veel mensen verhuizen vanwege een verlies aan voorzieningen en de mensen die in de krimpgebieden blijven, hebben niet noodzakelijkerwijs het meeste elan om nieuwe projecten los te trekken, die hebben daar niet voor gekozen. En daarbij, hoeveel vrijwillige burgerkracht kan een mens bieden zonder dat daar inkomsten tegenover staan? Ouderschap, mantelzorg en een of twee vrijwillige bijdragen aan de maatschappij naast een betaalde baan en de tijd is simpelweg op. Is het dan wel realistisch om te verwachten dat bewoners van het landelijk gebied naast hun eigen toko ook de regio moeten runnen? Ik ken veel mensen die zich wel degelijk enorm hard maken voor hun leefomgeving en ikzelf probeer me ook in te zetten voor het dorp waar ik woon, maar ik zie ook dat de schoen gaat wringen als bijvoorbeeld de professionele fotograaf voor de zoveelste keer een gratis reportage voor de dorpskrachtwebsite maakt, terwijl hij het eigenlijk net van dat soort opdrachten moet hebben om als ondernemer te kunnen bestaan…

Mensen zoals deze fotograaf vallen onder de noemer ‘cottage industry’. Nu is het zo dat de ‘cottageindustry’ (kleine bedrijfjes die geld verdienen via het internet en zo niet afhankelijk zijn van de directe omgeving voor hun klanten) als een van de grote kansen wordt gezien om de leefbaarheid te versterken. Dat is terecht, waarbij wel moet worden meegenomen dat de partner van de keukentafelondernemer, vaak wèl een vaste baan heeft, meestal in de zorg of het onderwijs. Dus ‘cottage industry’ impliceert de nabijheid van een grotere werkgever voor de partner van de ondernemer. Daarmee bestaat ‘cottage industry’ niet in een economisch of programmatisch vacuüm maar verlangt het net zo goed een vitale omgeving.

Nieuwe (tijdelijke) bewoners.

Naast het wegtrekken van mensen uit de regio, is er ook nieuwe instroom te identificeren. In de landbouw, een belangrijke economische motor in het landelijk gebied, zijn steeds minder mensen werkzaam. Een boer kan door de schaalvergroting in zijn eentje steeds meer land bewerken en GPS-techniek zal daar nog steeds meer menselijk arbeid overnemen. Maar er blijft periodiek een bulk aan handwerk over dat  momenteel vaak gedaan wordt door arbeiders van elders. Een volgende categorie tijdelijke nieuwkomers is de Chinese toerist die naast Amsterdam ook ‘even Giethoorn wil doen’ en in de verre omtrek van dat dorpje overnachtingen boekt. Voor deze doelgroep worden nu zelfs leegstaande overnachtingsfaciliteiten opgekocht. En we zien momenteel de enorme hoeveelheid vluchtelingen en migranten op ons afkomen, waarvan het vooralsnog onduidelijk is hoe en waar die stromen gaat stollen. Feit is dat iedere leegstaande accomodatie in principe in aanmerking komt voor de opvang van vluchtelingen en dat hun aanwezigheid nieuwe economische kansen creeert: leegstaande vakantieparken worden opnieuw bevolkt, werkzoekende leerkrachten vinden emplooi als begeleiders van vluchtelingenkinderen. Het aanbod van diensten wordt afgestemd op deze nieuwe vraag en ook bijvoorbeeld het openbaar vervoer, de supermarkten en toch ook de scholen in het landelijk gebied krijgen hierdoor een nieuwe impuls. Wat je ziet is dat nieuwe (tijdelijke) bewoners een grote kans bieden voor de leefbaarheid van het landelijk gebied.

Het slopen van langdurige leegstand, een financieel gedreven idee waar vooral de afgelopen jaren mee is geflirt, moet ook in dat licht nader worden beschouwd. Het is nu al zo dat lege gevangenissen en internaten toch veel sneller dan gedacht een nieuwe bestemming hebben gekregen. Sloop van een bruikbaar maar economisch afgeschreven pand wordt daarmee een beetje een vreemde figuur, aangezien nieuw programma soms plotseling en onvoorzien kan ontstaan.

Energietransitie

Het landelijk gebied, is de voorspelling, krijgt de komende jaren te maken met grootschalige nieuw in te richten energielandschappen en ook op gebouwniveau zal de energietransitie waar Nederland voor staat grote gevolgen hebben. Als de kosten voor energie kunnen worden terugverdient door aanpassingen in en rond het pand waar in gewoond / gewerkt wordt, dan is dat een belangrijke troef om mensen in het gebied te behouden of nieuw aan te trekken. Als energietransitie in het noorden betekent dat de woonlasten sterk verminderen, wordt het echt aantrekkelijk om hier te komen wonen en te werken, aangezien er financiële ruimte ontstaat, dat bijvoorbeeld door de ‘cottageindustries‘ in te zetten is voor nieuwe investeringen en start-ups.

Dat erfgoed deze duurzaamheidsdans niet ontspringt laten ook de 10 miljoen euro zien die Bussemaker voor de verduurzaming  van rijksmonumenten vrijmaakt. Maar de vele regels rondom aanpassing van monumenten staan ook nieuwe invullingen in de weg. De vraag wat mij betreft is of nieuw gebruik van een karakteristiek gebouw momenteel niet belangrijker is dan het boven alles willen behouden van de ‘originele staat’ van het erfgoed? Daarmee wil ik absoluut niet suggereren dat deze panden maar naar hartelust gestript of gesloopt moeten worden, maar als zich nieuwe gebruikers melden voor een karakteristiek pand, verlangen deze toch ook enig comfort. Het toestaan voor het inpassen van een eigentijdse badkamer of een doorbraak voor het realiseren van grotere gebruikseenheden, vergroot de markt voor dergelijke panden aanzienlijk. Ik denk dat daar nog veel winst te halen is.

Het Kenniscentrum Herbestemming Noord zou denk ik een grote bijdrage kunnen leveren door te onderzoeken hoe erfgoed kan worden aangepast aan de energie-eisen van deze tijd om zo de karakteristieke gebouwen ook door te ontwikkelen, te gebruiken en zo te behouden. In de buurlanden zie je dat al veel meer gebeuren. Toegegeven, zonnepanelen op oude monumenten zien er nog niet altijd fraai uit, maar het is de vraag of op dit moment een esthetisch oordeel zwaarder moet wegen dan een praktisch gebruik en daarmee een behoud van leefbaarheid. Met de kennis van bouwkunde en esthetica die we in Nederland de afgelopen eeuw hebben opgedaan, moet het mogelijk zijn de energie-eisen en cultureel erfgoed op een vernuftige en mooie manier op elkaar aan te laten sluiten zodat de kool en de geit in Noord Nederland, de leefbaarheid en de schoonheid van dorp en landschap toch wel gespaard blijven. Voor het Kenniscentrum een mooie taak voor de komende jaren!

Bram Verhave

buro stek

Diever, september 2015